Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur

In een opiniestuk over de tanende aandacht voor jeugd- en kinderliteratuur op de website van Trouw citeert Bas Maliepaard de jeugdboekenschrijver Sjoerd Kuyper: ‘Het belang van jeugdliteratuur ontstijgt de boekenkast. Kinderboeken kunnen, als ze met de juiste instelling geschreven zijn, met het hart van een kind en de hand van een volwassene, van kinderen mooie grote mensen maken.’ Mij rijzen bij dit argument de haren ten berge. Ik zie die volwassene op een of andere manier meteen voor me, een wat weke persoon die deels in zijn kindertijd bleef hangen en af en toe de pedagogische zotskap opzet om vervolgens, als je echt pech hebt, op de problematiek van de tijd toegesneden (onverdraaglijk modieuze) boeken te gaan schrijven.

Ik heb altijd, juist omdat niemand zich met mijn literaire vorming bemoeide, alles door elkaar heen gelezen. Arendsoog-boeken en de reeks over Pim Pandoer en Toon Kortooms, Simon Carmiggelt en Godfried Bomans, Hélène Nolthenius en Hella S. Haasse, Jan Wolkers en Harry Mulisch: vanaf dat ik een jaar of dertien of veertien was begaf ik me in een omgevallen boekenkast, of bibliotheek – om er nooit meer uit te komen. Juist de boeken die met goede bedoelingen en speciaal voor mij waren geschreven, meed ik als de pest. De boeken die ik niet verondersteld werd te lezen (zoals die van Antoon Coolen of van auteurs als Johannes Mario Simmel) las ik wel. Waarom weet ik niet. Op sommige boeken sprong ik af, om andere boeken liep ik heen.

Soms mis je dan wel eens wat. Pas laat in mijn leven leerde ik de zegeningen van Els Pelgrom (De eikelvreters!) en Tonke Dragt (Torenhoog en mijlenbreed!) kennen. Jan Terlouw en Thea Beckman zijn bijna helemaal een grijs gebied gebleven. Mijn afkeer van Annie MG Schmidt is waarschijnlijk ongefundeerd, maar toen ik rond mijn veertigste een keer moest voorlezen uit Jip en Janneke sloeg de afkeer om in een bosbrand van haat. Wat een nare, vervelende, oer-brave kinderen. Als dat was bedacht door een vrije geest hoefde ik die vrije geest niet te leren kennen.

Het lijkt mij zinnig om de paar kinderen per schoolklas die van lezen houden niet al te veel lastig te vallen met het hart van een kind, en vooral niet met de hand van een volwassene. Wat zou ik hebben gedaan als mijn ouders bijvoorbeeld hadden gezegd: ‘Die Jan Wolkers, die mag je niet lezen?’ Dan was ik misschien nog gaan denken dat het lezen van Wolkers een verzetsdaad kon zijn. Wat het uiteindelijk niet bleek te zijn. Het was gewoon hard werken. Met soms de beloning: een mooi verhaal of een geslaagde roman. Mensen die een boek afraden of verbieden hebben geen hart en spelen een auteur altijd, ongewild, in de kaart. Zelfs een slechte auteur.

Lezen laat zich niet sturen, door niemand. Smaak is een persoonlijke kwestie en daarom ook voor iedereen iets anders (al is mijn smaak uiteraard de beste, net zoals die van iedereen). Soms is het een genot om met mensen over gelezen boeken te praten – ook zij hebben zich op hun eigen manier een smaak eigen gemaakt en zijn van boek tot boek gesprongen, behept met een levenslange liefde voor lezen. Meestal strandt het gesprek als de tegenpartij de eerste titels noemt. Dan weet je het weer. Lezen is anarchie. Lezen is zoeken naar die stem waarachter je een leeftijdloos hart vermoedt en een schrijver die zijn taal naar je uitstrekt omdat hij je even, met zijn verhaal, wil aanraken.

Een gedachte over “Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s