Herman de Coninck, ‘Vrolijk stapten de joden de trein op’

Ik lees de pas-verschenen biografie van Herman de Coninck, Toen met een lijst van nu errond. Het is, met alle respect, hoewel, het is nogal een babbelboek geworden, waarin Thomas Eyskens het aaneenrijgen van anekdotes tot een nieuw hoogtepunt weet op te stuwen. Respect voor wat Herman de Coninck ooit voor mij als lezer betekende, houdt me overeind. Opvallend vind ik dat er, door Herman de Coninck, regelmatig een beroep wordt gedaan op ‘de goede smaak’; hij is daarmee toch een beetje een burger-dichter, iemand die tot in zijn literaire werk zijn best doet om de mensen om zich heen niet te kwetsen, alsof dat in het echte leven al niet moeilijk genoeg is.

Bij het samenstellen van de bundel Enkelvoud is, vertelt Eyskens, één gedicht gesneuveld om diezelfde goede smaak. Het was mede te danken aan de onlangs overleden Theo Sontrop, toen de uitgever van De Coninck. De Coninck meldde er later zelf over in zijn Groninger gastcolleges: ‘Theo Sontrop (…) vond het, mede dankzij een paar glazen witte wijn, een mooie bundel. Het enige wat hij bijna verlegen vroeg was: “Kan dit er niet uit?” Ik bloosde. Een van de wetten van de ontroering is dat je het drama kleiner moet maken dan het is, dat is altijd sympathiek. Als je het te groot wil maken is dat op-de-borstklopperij. Het verdriet van Cecil B. DeMille. Dat werkt niet. Dat veroorzaakt in plaats van ontroering gêne. Ontroering in de poëzie is pure woordberekening. Maar soms reken je verkeerd.’

Ik weet het niet. Of eigenlijk weet ik het wel. Ik vind ‘Shoah’, juist omdat De Coninck hier een keer iets gróter maakt, in plaats van altijd maar kleiner, niet zozeer een fraai gedicht, maar wel een gedicht dat blijft hangen, dat je aandacht trekt, dat aanleiding geeft om even na te denken over de ongewone metafoor die hij hier heeft gebouwd. Het gedicht gaat zo:

Shoah

Vrolijk stapten de joden de trein op.
Enkelen die zich in het tussenstation
Te lang hadden opgefrist, liepen
Halsoverkop, wanhopig, de intussen
Vertrokken laatste wagon na, om toch maar
Niets te missen van hun dood.

Zo moet ik van jou hebben gehouden.

Larmoyant? Waarschijnlijk wel? Slaat hij de plank hier mis? Wie zal het zeggen. Maar iedereen die ooit heeft liefgehad, zich haastend richting het onvermijdelijke, niet-zo-blije einde, herkent er wel iets van. Liefde, houden van, doet niet aan nuance.

Het is alsof je je haast om een vliegtuig te halen, samen met je lief, je bent je huissleutels vergeten en je paspoort ligt ergens anders dan waar je dacht, schiet nou godverdomme op, zo komen we nog te laat – en uiteindelijk komen jullie op tijd en in het vakantiehuis dat jullie hebben gehuurd, een prachtig huis overigens, idyllisch gelegen, zegt zij dat ze al maanden verliefd is op iemand anders en je over een week of twee voorgoed verlaat. Alles wat je hebt gedaan om vooral op tijd te komen is dan tijdelijk net zo erg als alles wat die arme joden deden om op tijd te komen. Je wereld stort namelijk in en is voorgoed verdwenen. Dat je niet sterft, is een detail, – er is wel degelijk iets dood gegaan.

Tegelijkertijd geeft het gedicht mooi weer hoe houden van werkt. Je bekommert je, eenmaal liefhebbend, niet om de consequenties die dat kan hebben. Die dat zál hebben. Het kan goed aflopen of verkeren in een ramp. Maar als je de trein wilt halen, weet je dat nog niet. Dan wil je alleen maar die trein halen, dan is de hele wereld om je heen gekrompen tot die trein. De opluchting die je voelt, als hem tóch hebt gehaald.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s