Lezen (67)

Op bladzijde 19 van En toen wisten we alles, een pleidooi voor oppervlakkigheid legt Coen Simons zijn kaarten met een klap op tafel:

Willen we gebruik maken van de ruimte die sinds de Verlichting voor het individu is vrijgekomen om de wereld vanuit zijn standpunt te bekijken en van commentaar te voorzien, dan is een nieuw bildungsideaal vereist: de oefening van onze oppervlakkige, ongeautoriseerde blik. Geen ondoordachtheid of onverschilligheid, maar oppervlakkigheid. Kortom, een blik die in het velengde ligt van de wijze waarop de mens in de wereld staat. Met het bewustzijn van de menselijke tekortkoming dat we moeten handelen en beslissen zonder alle consequenties van dat handelen te kunnen overzien, zonder te kunnen ontkomen aan het eigen perspectief, de eigen horizon in ruimte en tijd. Doorgaan met het lezen van “Lezen (67)”

Lezen (66)

In ‘de twaalf artikelen van het geloof’ wordt de kerk omschreven als ‘de gemeenschap van de heiligen’; de literatuur moet het zonder artikelen van geloof  stellen, maar hier en daar duikt wel degelijk een gemeenschap van zich (en elkaar) als heilig beschouwende schrijvers en literatuurbeschouwers op.

Hans Groenewegen, waar ik eerder over schreef in aflevering 64, is in elk geval voor sommige mensen een heilige. Bijvoorbeeld voor Marc Kregting (zelf op zijn beurt een mede-heilige). Kregting schrijft op zijn weblog: ‘Driemaal heeft Hans Groenewegen nu een selectie uit zijn kritieken en kronieken over poëzie gebundeld. Met schrijven zin verzamelen vind ik een belangrijk boek, maar het stemt me ook weemoedig. Het lijkt een afscheid van een tijd waarin literatuurbeschouwers een dialoog mochten aangaan met teksten. Maar papieren media zien hier geen heil meer in.’ Doorgaan met het lezen van “Lezen (66)”

Ongelovig katholiek (10)

Een grapje van Toon Hermans. ‘Als ik ’s ochtends wakker word, om zes uur, denk ik meteen: nu een koude douche en dan houthakken. Daarna draai ik me om en slaap door.’ Dat heb ik op zondag ook wel eens, maar mijn gedachten gaan uit naar de ochtendmis. Gezellig om acht uur naar de kerk, daarna in een nog stil huis koffie zetten en een eitje bakken. Of een boterham eten met meikaas. Meteen na die gedachte val ik weer in slaap. Om pas wakker te worden om kwart voor tien, als de klokken hun oproep voor de hoogmis beieren. Tijd om te gaan douchen.

Lezen (65)

Op 10 augustus 1994 schreef Anthony Mertens in de Groene: ‘Het banale en sentimentele krijgen in deze debuutroman het volle pond, maar steeds zijn er die lange neuzen trekkende, shandyeske gebaren die de zaak rechttrekken. Maandenlang lag dit debuut op mijn bureau, het werd tijd er eens de aandacht op te vestigen.’

Hij had het over Films, vaders & neuzen van Jan van der Mast, dat in de literaire serie van de SUN verschenen was. Als ik de recensie goed begrijp (maar zoals gewoonlijk had Mertens het vooral over de dingen die hij wist, niet zozeer over het boek dat hij besprak), vond hij Van der Mast wel een originele auteur. Doorgaan met het lezen van “Lezen (65)”

Lezen (64)

Hans Groenewegen is een groot lezer. Dat staat op de achterflap van zijn nieuwe essaybundel: ‘Hans Groenewegen is een groot lezer van poëzie en een aanstekelijk schrijver over poëzie.’ Ik citeer een aanstekelijke passage over Leonard Nolens, een dichter die op dit weblog eerder aan bod kwam:

De publicatie van Bres stelde me teleur. Zij sluit iets af dat van mij open had mogen blijven. Ik was er zelfs van overtuigd dat Bres principieel onafsluitbaar is, voor altijd «een bundel in wording». Die aanduiding was van Nolens zelf. Zij correspondeert met hoe ik hem als dichter ben gaan ervaren: een dichter in permanente staat van wording. Zou met Bres nu dat dichterschap zijn afgesloten? Hoewel hij in zijn onderdelen dus al bekend is, vormt die vraag voldoende reden voor de herlezing van de nu in een definitief resultaat gestolde bundel. Doorgaan met het lezen van “Lezen (64)”

Lezen (63)

Zalig zijn de schelen is een gedateerd boek. Ik bedoel dit helemaal niet neerbuigend, maar het register bevat zó veel namen uit een tijd die onherroepelijk voorbij is (van Armando tot Joop Waasdorp en van Wim T. Schipper tot Cherry Duyns), dat het voor lezers die jonger zijn dan, zeg, vijfendertig jaar onmogelijk is om het boek ten volle te begrijpen, of beter: om de culturele wereld waarin het boek is ontstaan te kunnen vatten.

Het is de hele ‘sfeer’ van de jaren zestig (en zeventig), het keten van Jan Cremer (wie?) en Rijk de Gooyer, het is het drinken in Café Scheltema en het rondhangen met kunstenaars. De lezer die deze mensen allemaal niet kan ‘plaatsen’, en dat zijn er natuurlijk met het verstrijken van de tijd meer en meer, staat al snel met lege of steeds legere handen. Doorgaan met het lezen van “Lezen (63)”

Gedicht Europees Kampioenschap

Tijdens het Europees Kampioenschap voetbal zendt Cultura gedichten uit die speciaal voor het toernooi zijn geschreven (en in het Olympsch Stadion van Amsterdam opgenomen). Aan het woord komen onder meer P.F. Thomése, Henk Spaan, Anna Enquist, Tsead Bruinja, Ingmar Heytze en Ellen Deckwitz. Mijn bijdrage gaat over de Poolse wonderspits Grzegorz Lato (en over mijn vader):

Grzegorz Lato, WK 1974

Mijn vader speelde in de spits: kaal en onopvallend.
Gevangen in een vreemde wereld. Dat uiterllijk: drie
modes in de min. Die altijd in zichzelf gekeerde blik.

Het was mijn vader die tegen Haïti scoorde, of tegen
Joegoslavië. Hij juichte ingetogen: arm omhoog en op
een draf weer naar de middenstip. Hij scoorde vaak.

De beelden die ik achtendertig jaar te laat echt zie
zijn van een ander mens: de mode heeft hem ingehaald,
het beetje haar wuift zwierig naar één kant. Mijn vader

scoort wel zeven maal op één WK. Zelfs tegen Brazilië.
Veel mooier is het nooit geweest. Veel mooier
gaat het nooit meer worden. Mijn vader, Grzegorz Lato,

samen, elk aan één kant van hun IJzeren Gordijn.

© Chrétien Breukers

Lezen (62)

Ik ken iemand die alleen maar de Canzoniere van Petrarca leest en edities van het boek in alle mogelijke talen verzamelt. Hij neemt geen secundaire literatuur óver de wereldberoemde dichtbundel tot zich en de in- en uitleidingen die informatie verschaffen over zaken buiten de zangen en sonnetten slaat hij over. Het gaat hem om de gedichten, beweert hij, en om niets dan de gedichten. Hij beweert zelfs dat het onderwerp van de gedichten hem koud laat. Hij leest de gedichten en die gedichten zijn hem, boven alle andere lectuur, lief.

Ik kan me niet voorstellen dat het me zou lukken, Petrarca zo los te zingen van het onderwerp van de gedichten. Maar misschien is mijn vriend een lezer, zoals er maar weinig zijn. Of eigenlijk: geen. Op een na. Zelf lees ik sterk op de golfslag van wat ik, al hou ik niet van het woord, mijn emoties zal noemen. Soms vind ik een boek ontroerend. Soms niet. Een boek dat me niet minstens een beetje ontroert, vind ik meestal tóch niet goed. Ik zou best willen wéten waarom ik sommige teksten lief heb, en andere niet; maar ik vrees dat het een geheel onbewust, door troebele onderlagen aangedreven proces is. Doorgaan met het lezen van “Lezen (62)”

Lezen (61)

Vandaag, maar dan tien jaar geleden, werd Pim Fortuyn vermoord. Volgens mij op een maandag. Het WK Snooker was in zijn laatste dag;  Peter Ebdon zou winnen van Stephen Hendry en omdat ik de hele avond naar nieuws (“er is voorlopig geen nieuws, terug naar de studio in Hilversum”) op de Nederlandse televisie zat te kijken, heb ik gelukkig niet gezien hoe die vervelende Ebdon de titel won.

In de afgelopen jaren is gesproken over ‘de geest van Pim’, het ‘gedachtengoed van Pim / Fortuyn’ en ‘de verschuiving die Fortuyn teweeg bracht’. Sommige mensen, voornamelijk voormalig medestanders, zien Fortuyn als een intellectueel, een status die moet worden geschraagd door een aantal boeken dat hij heeft geschreven en door een bijzonder hoogleraarschap (‘Professor Pim’) dat hij ooit bekleedde. Doorgaan met het lezen van “Lezen (61)”

Lezen (60)

Nu ik iets verder ben (dan tijdens mijn vorige bericht) in de roman Erfsmet van Peter Drehmanns (een erg goed boek, overigens, althans, tot nu toe, ik ben op bladzijde 200) krijg ik steeds meer bewondering voor de manier waarop de auteur soms flink aan het schmieren kan slaan.

Schmieren is, volgens mijn editie van de Van Dale (uit 1989 alweer: ‘Spelen als bij een schmiere: 1. zeer sterk op effect spelen, op de zaal spelen; – 2. zijn rol niet serieus spelen, zich er met een Jantje van Leiden vanaf maken.’ Een schmiere is dan weer een: ‘rondtrekkende troep toneelspelers van lage klasse.’ Doorgaan met het lezen van “Lezen (60)”