Ongelovig katholiek (3)

In mijn vorige stukje had ik het over het reukwater dat speciaal op het stoffelijke omhulsel van de Heilige Vader (de obsessie die de kerk heeft met het vaderschap!) wordt toegesneden door Silvana Casoli. In haar wekelijkse column voor De Morgen behandelt Ann de Craemer deze kwestie ook. Zij spreekt harde woorden: ‘Nooit zal er een geur zijn die de stank kan verdoezelen van de criminele organisatie die de katholieke kerk is (…).’

Of de katholieke kerk een criminele kerk is? Dat weet ik niet, maar het is natuurlijk onmiskenbaar dat er inmiddels zo veel modder is komen bovendrijven dat een lekker luchtje geen overbodige luxe is. Al zou een totale reorganisatie (met harde hand en niet voorafgegaan door de onderzoeksfarce die de ‘onafhankelijke commissie’ onder Deetman uitvoerde) beter zijn.

Misschien maakt de huidige paus met zijn keuze voor dit exclusieve reukwater een knipoog naar een ander fenomeen dat in de katholieke kerk, en dan met name als er mensen zalig of heilig moeten worden verklaard, een rol speelt: dat van ‘de geur der heiligheid’.

Een heilige gaat, zo wil het geloof, namelijk meestal niet tot ontbinding over na zijn dood en verspreidt dus geen lijklucht, maar een geur die inderdaad ‘heilig’ is. Deze geur speelt een belangrijke rol bij het hele proces dat voorafgaat aan zalig- en heiligverklaring, een proces zo ernstig en in wezen tóch surrealistisch – dat kan alleen een oude kerk bedenken. Er wordt zelfs in het graf van de beoogde zalige en/of heilige gekeken, om te controleren of de fijne geur nog steeds rondwaart.

Theresia van Lisieux is een voorbeeld van zo’n welriekende heilige. Helaas bleek haar stoffelijk omhulsel geheel en al vergaan, toen de kerkelijke autoriteiten haar graf, voorafgaand aan de heiligverklaring, openden. Dat mocht de pret natuurlijk niet drukken en stond de verering van deze non niet in de weg. Is de geur niet goed, dan zijn er altijd nog wel andere zaken waar de commissie die is belast met de verklaring zich op kan richten.

De katholieke kerk is volgens De Craemer een misdadige organisatie, maar ze is ook iets anders: een sterk in het volksgeloof en paganisme wortelende sekte die een weefsel van mythen en (bij)gelovigheden tot een levensbeschouwing heeft weten om te bouwen.

Ik werd op ‘de geur van heiligheid’ gewezen door mijn vriend Manuel Kneepkens, Limburger en net als ik een ongelovig katholiek. (Vrees niet, wij zullen geen kerkgenootschap oprichten.) Hij heeft het er over geschreven in zijn roman Het Boek Foutu, kroniek van een poëtisering. Maar dat is een ander verhaal, voor in een ander bericht.

Lezen (33)

Een hoofdstuk uit Eric de Kuypers nieuwe boek heet ‘Lectuur’.  De Kuyper gaat, zoals De Kuyper dat nu eenmaal doet, flanerend door zijn leeservaringen, ondertussen docerend zonder een echte docententoon aan te slaan. Ik lees ze graag, teksten over lezen, over lectuur. Daarmee bedoel ik niet: essaybundels, of bundelingen van recensies, maar boeken of artikelen waarin van het leesavontuur verslag wordt gedaan.

De Kuyper is iemand die gemakkelijk bewondert, maar soms heeft hij last van humeurigheid en dan gooit hij er de beuk in. Natuurlijk doet hij dat op elegante wijze, want De Kuyper is niet het type dat er met een mokerhamer op los mept. Zijn stijl is een lappendeken van Franse, Vlaamse, Angelsaksische en Duitse esprit, en de Nederlandse gewoonte om in een polemiek tegenstanders eerst te vermorzelen en vervolgens te verbranden, om de as tot slot in de Grand Canyon te smijten, is hem vreemd.

Maar ik geniet wel van dit soort zinnen: ‘Of ik de laatste Coetzee heb gelezen? Nee, want ik heb twee boeken van hem gelezen en dat volstaat voor de rest van mijn leven.’ Verder geen woord meer over deze Nobelprijswinnaar. We weten echter wel hoe De Kuyper over zijn werk denkt. Deze twee zinnen zijn net zo effectief als een artikel van 2000 woorden, of effectiever.

De Kuyper heeft een gezonde afkeer van dwang. Zo krimpt hij ineen als De hoed van tante Jeannot op een Vlaamse leeslijst wordt opgenomen: ‘… dat is volkomen fout. Dat boek gaat over mijn kinderjaren en welke adolescent heeft behoefte om iets over de kinderjaren te lezen? Die liggen toch achter hem?’

Op bladzijde 192 schrijft De Kuyper: ‘Als je iets wilde lezen bij ons thuis, was je gedwongen om boeken voor volwassenen te lezen. Veel kinderboeken waren er niet; en naar een bibliotheek gingen we niet.’ Een bladzijde eerder lees ik: ‘Bovendien werd ik volledig vrij gelaten in mijn lectuur. “Wat hij begrijpt, begrijpt hij. En wat hij niet begrijpt, dat begrijpt hij niet.” Zo lapidair formuleerde ma haar opvoedende taak betreffende mijn leescultuur.’

Wat een hartverwarmende passage, in deze tijd van young adult books. Ik herinner me precies de sensatie die je kon overvallen als je een boek voor volwassenen las, een boek dat nog vele onduidelijke passages bevatte. Ooit, ooit zou je het begrijpen; en om dat ooit te kunnen doen moest je lezen, almaar doorlezen.

Ongelovig katholiek (2)

De katholieke kerk is een ideaal instituut. Ik zou er meteen actief lid van worden. Alleen jammer dat  er zo veel katholieken de dienst in uitmaken.

De ongelovige heeft, meer dan waarschijnlijk, gelijk. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij dat ook automatisch moet kríjgen.

Tijdens het lezen van boeken van Richard Dawkins, Bil Bryson of Kris Verburgh voel ik, excuseer het woord, een bijna religieuze vervoering. Het besef dat de aarde is opgenomen in een geheel waar ik alleen in aanbidding naar kan opkijken. Al is opkijken niet het juiste woord, want ik kan het geheel sowieso niet zien. Ik ben onwetend en voel me, heel even, via die boeken, verbonden met een bron van kennis waar ik helaas niet uitgebreid van kan drinken. Vanwege te dom. Omdat ik hun teksten niet echt begrijp, geven ze me het besef dat ik iets leer, meer dan welke andere lectuur dan ook.

God is niet voor niets “de vader”, “de wet” en “het woord” in een. Als je geen vaderbeeld hebt, geen wetgevende instantie, geen taalbron – dan is het al een stuk moeilijker om die hele santekraam – letterlijk – aan te nemen. Het geloof is een zaak van vaders en, onvermijdelijk, zonen die in de voetsporen van de (willen) vader treden. Hoe het met de moeders en dochters zit, is mij niet duidelijk.

Benedictus XVI krijgt een eigen, speciaal op zijn lijf en lijfgeur toegesneden parfum. De oppersamensteller van deze heilige lucht is Silvana Casoli, die, lees ik, “eerder al samenwerkte met sterren als Madonna en Sting”. Madonna, ja, natuurlijk, en Sting is verklaarbaar als je het verhaal van de soldaat die de zijde van Jezus doorboorde in herinnering roept. Jammer genoeg kan het grote publiek geen kennisnemen van de geur die om de paus heen gaat hangen (behalve natuurlijk de mensen die hem persoonlijk kennen en heel dicht bij hem mogen komen, om even te ruiken). “In tegenstelling tot de meeste parfums zal dit geurtje niet verkocht worden aan het publiek en mag het alleen gedragen worden door de paus.” Ach, een sample te hebben van die geur!

Lezen (32)

Tijdens de jaarlijkse Boekenweek lijdt de lezer. Het boek, deze voorbode van leesgenot, in het beste geval, is bij uitstek ongeschikt om te worden opgeleukt tot artikel dat centraal staat in een verkoopbevorderend evenement. Laat staan in een tien dágen durend verkoopbevorderend evenement.

Lezen is, zelfs al het een bestseller betreft, een gesprek tussen één tekst en één lezer. Die tekst gaat vervolgens zijn werk doen in het weefwerk aan teksten dat ligt opgeslagen in het hoofd van die éne lezer, een lezer die gaandeweg zijn plek zal zoeken in de gemeenschap van lezers. Een gemeenschap van eenlingen. Geen consumentenvereniging.

Natuurlijk: het boek is handel, op papier of in een digitaal bestand neergeslagen tekst die moet worden verkocht – anders stort het kaartenhuis waar we de huidige lezer op is aangewezen in elkaar.

Ik probeer me dat wel eens voor te stellen. Alle uitgevers weg, de boekhandels leeg en verlaten, redacteuren, vertegenwoordigers en medewerkers binnendienst werkeloos. Schrijvers die huilend door de straten lopen. Hoewel, huilend…

Op den duur zal iemand een boek schrijven. Hoe dat vervolgens verschijnt, in welke vorm: ik heb geen idee. Maar het zal worden verspreid en gelezen. Tekst is net onkruid, en het verhaal is hardnekkiger dan kattenvlooien.

Begin van de week zag ik Tom Lanoye op de tv. Hij riep de kijkers op om een boek te kopen, tijdens de Boekenweek. Hij droeg geen commerciële redenen aan, nee, hij bond de lezer op het hart dat het hier om de kracht van de verbeelding ging: die kracht, daar kunnen wij niet buiten.

Ik heb de schrijver Lanoye lief, maar bij zoveel zendingsdrang vraag ik me toch af of ik te maken heb met toneelspel of met gewone naïviteit. Of met iemand die door het bedrag dat de CPNB op zijn rekening overmaakte tijdelijk verblind is geraakt. Wie in zijn leven genoeg heeft gelezen, neemt dergelijke praat niet meteen op de koop toe.

Nu ja. Je zit jaren in je eentje gebogen boven die ellendige stofnesten, je gezondheid opofferend, maar dan héb je op den duur wel wat. Een door en door gespierde achterdocht.

Ongelovig katholiek (1)

Op mijn Facebookpagina, dat digitale doopregister, vermeld ik bij levens- overtuiging: ‘ongelovig katholiek’. Wat mij betreft vat dit de zaak tamelijk goed samen, maar toch word ik nog regelmatig geconfronteerd met allerlei misverstanden.

Er zijn bijvoorbeeld vrij veel mensen die denken dat ik dus een cultuurkatholiek ben. Een cultuurkatholiek? Ja.

Zo iemand die met tranen in de ogen in de nachtmis zit, en verder het hele jaar niet. Zo iemand die een kaarsje ontsteekt bij een of andere plaatselijke Maria en dan niet precies weet wel gebed te zeggen, waardoor er een suizende leegte in zijn hoofd ontstaat, een leegte die sommige mensen met het woord ‘spiritueel’ bekleden. Zo iemand die wel in ‘iets’ gelooft, maar niet in ‘de kerk’.

Helaas moet ik mij daar fel van afwenden, van dat begrip cultuurkatholiek. Zo ik iets ben, dan ben ik eerder katholiek dan cultuurkatholiek.

Het grote probleem waarvoor ik mij gesteld zie: ik geloof niet in God. Jaren heb ik het geprobeerd, gelovig zijn of gelovig worden, maar het is een vorm van overgave waar ik geen talent voor heb, of nee, ik ben er fysiek niet toe in staat. Kon ik dergelijke kwesties toch afdoen als ‘een detail’, zoals Rinus Michels ooit deed bij een evidente buitenspel-doelpunt van het Nederlands elftal. Maar helaas.

Hoewel ik niet geloof in God, ben ik in wezen een katholiek, misschien wel katholieker dan de gemiddelde katholieke gelovige. Wat hem van mij onderscheidt, en mij op voorsprong zet: het verlangen naar geloof. Dat is bij de gemiddelde katholieke gelovige al vervuld, waarna het op zijn best via liefde tot gewoonte is geworden.

Ondertussen zit ik nooit in de mis, steek ik af en toe bij een plaatselijke Maria een kaarsje op, waarna een suizende leegte bezit van mij neemt. En ben ik, als de cultuurkatholiek die ik niet ben, want ik ben een ongelovige katholiek, gek op alles wat de Moederkerk aan poppenkast en heisa in het leven heeft geroepen, van mooie gewaden en prachtige kerkgebouwen tot tranentrekkende kitsch en priesters die zo saai preken dat je tijdens de mis bijna in slaap valt.

Ik ben een ware ongelovige katholiek. Maar geen cultuurkatholiek.

Lezen (31)

Onderaan dit stukje citeer ik de eerste zinnen van Al te luide eenzaamheid van Bohumil Hrabal, een schrijver van wie ik veel houd. Zijn boeken zijn de das om een zere hals, de tic in de cola, De Leiermann uit een open raam in een welgestelde wijk, ’s avonds, op een dag die de lente aankondigt maar nog trekken van de winter heeft.

Hrabal schrijft in een lucide zeurtoon, die niet zeurderig is en bovendien totaal onnavolgbaar. Probeer maar eens van die lange zinnen te maken, zinnen die van de door komma’s van elkaar gescheiden hele zinnen en zinsdelen aan elkaar hangen en die nergens heengaan, hoewel ze meestal net op tijd over de finish komen.

Zijn oppervlakkigheid, dat wil zeggen: zijn niet-nadrukkelijke toon is niet zozeer schijn, nee, zij is een dekmantel voor alles wat Hrabal er onder wil houden. Want Hrabal wil er heel veel onder houden. Wie zijn boeken leest zonder in de gaten te hebben dat hij een existentiële angst probeert te dempen, is minimaal leesblind.

Ooit zag ik hem in het echt. Bohumil Hrabal. In ik meen 1990, in Café De Gouden Tijger. Ik had Al te luide eenzaamheid en Zwaarbewaakte treinen bij me en wilde die boeken laten signeren. Maar in een interview las ik dat hij liever niet lastig wilde worden gevallen.

Toen ik hem zag zitten, in De Gouden Tijger, wachtte ik daarom tamelijk lang. Na een half uur of drie kwartier had ik genoeg moed verzameld en pakte mijn boeken op. Helaas, net op dat moment verscheen een cameraploeg van de BBC, die een documentaire over hem aan het draaien was. Weg kans. Ik durfde tenminste niet meer.

Een jaar later was ik weer in De Gouden Tijger, maar toen zag ik hem niet. De jaren die daarop volgden, kwam ik niet in Praag. Inmiddels is Hrabal al vijftien jaar dood en is de website van het café deels aan hem gewijd.

Natuurlijk is het niet meer ‘het’ café dat toevallig onderdak bood aan een beroemde of beroemd geworden schrijver. Het is een toeristische attractie waar de beroemde en dode schrijver wordt uitgebaat. Aan zijn boeken doet het niks af, maar ik ben er sinds 1991 niet meer geweest.

‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik aan de letteren mijn handen vuil, zodat ik op de encyclopedieën ben gaan lijken waarvan ik in die tijd zeker dertig kuub geplet heb, ik ben de sprookjeskan vol water dat leven schenkt en dood, je hoeft me maar een beetje scheef te houden of er stromen de mooiste gedachten uit, tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, van mij alleen, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt, en zo heb  ik mezelf in die vijfendertig jaar eigenhandig doorverbonden met de wereld om me heen, want als ik lees, lees ik eigenlijk niet, ik neem zo’n mooie zin in mijn snaveltje en zuig erop als op een zuurtje,  ik nip ervan als van een glaasje likeur, en wel net zo lang tot die gedachte als alcohol in mij vervliegt, zo lang trekt die door mij heen totdat ze niet alleen in mijn brein zit en in mijn hart, maar door al mijn aderen bonkt tot in het verste bloedvaatje.’

Lezen (30)

John Cheever stierf in 1982, ver voordat de financiële meltdown van het kapitalistische systeem definitief begon, met het faillisement van Lehman Brothers.

Toch lijkt de buitenwijk Bullet Park, naamgever van de onlangs door Van Gennep heruitgegeven roman van Cheever, het decor waartegen omineuze gebeurtenissen die een groeiende ontworteling van de laat-moderne mens en de ondergang van het Amerikaanse systeem aankondigen, mogen gebeuren.

De ondergang was al in Cheevers tijd begonnen, maar het smeulde en broeide alleen nog maar wat onder het gladde oppervlak.

Cheever schetste, lang voordat wij de Vinexwijk en de kapitaalcrisis kenden, een wereld waarin niemand is wie hij lijkt, een wereld waarin mensen alleen nog maar functioneren in het keurslijf van een (al dan niet geliefde) functie die ze in het dagelijkse leven vervullen, het geld dat ze daarmee verwerven en de status die ze vervolgens om zichzelf heen hebben gekocht.

Het boek is ook een strijd tussen de hardwerkende, de wet nalevende, belastingen betalende sappelaar Nailles en ene Hammer, die (maar daar komen we pas laat in het boek achter) totaal ontspoord is en de rol gaat spelen van beul, of offerpriester: de hamer probeert in dit boek op de nagel te slaan.

Cheever presenteert het verhaal kalm, hij vertelt in wat je een typisch ‘Amerikaanse stijl’ zoudt kunnen noemen een verhaal waarin niets (of weinig) lijkt te gebeuren, al zorgen snelle perspectiefwisselingen en onverwachte gebeurtenissen af en toe voor een schok bij de lezer. Geen grote schok (die bewaart Cheever natuurlijk voor het eind), maar wel het onaangename gevoel dat de schrijver je tot dan toe voor de gek hield.

Wat natuurlijk zo ís.

In het slot weet Cheever twee offerverhalen met elkaar te vermengen: dat van Jezus Christus en dat van Abraham en Isaäk (met een soort komische bijrol voor een ‘swami’). Hammer, die ooit van plan was om Nailles te vermoorden, kiest op het laatste moment voor Tony, de zoon van Hammer, die hij naar de plaatselijke kerk rijdt om hem daar op het altaar te gaan verbranden. Dit brandoffer gaat niet door, in een plot die te ingewikkeld is om in dit bestek uiteen te zetten.

Maar Hammer komt als winnaar uit de strijd. Hij redt zijn zoon en Nailles wordt opgenomen in een krankzinnigengesticht.

Het lijkt wel of Cheever de hele roman heeft tóégeschreven naar de magistrale slotzin: ‘Tony ging op maandag weer naar school en Nailles ging – gedrogeerd – naar zijn werk en alles was weer even geweldig, geweldig, geweldig, geweldig als voorheen.’

Vier keer de hamerslag van dat ‘geweldig’, waarvan de echo tot in deze tijd te horen is.

Lezen (29)

Het kan op elk moment gebeuren en het is altijd een (prettige) verrassing. In een aanbiedingsfolder van een uitgeverij staat een boek vermeld dat je meteen zou willen gaan lezen. Het verlangen naar het lezen van dat, en alleen dat boek, is er ineens en neemt bezit van je.

Maar het boek is er nog niet. Het gaat nog verschijnen.

Tijdens de periode die je met je verliefde gemoed moet zien te overbruggen, wordt het boek, het nog niet gelezen boek, het ooit gulzig te lezen boek, steeds mooier. De boeken die je ondertussen leest, hálen het niet bij die ene, nog niet gematerialiseerde titel. Die je alvast bij de winkel hebt besteld.

Weken en soms maanden heb je de tijd om het verlangen te laten groeien. Het wordt een hele wereld op zichzelf, dat verlangen. Alles wat je ooit hebt verwacht van een boek kun je er in kwijt. Zacht mijmerend laat je het verlangen oplaaien, als een vuurtje.

Het moment waarop het boek is verschenen en inderdaad voor je ligt, breekt aan.

Meestal komt het binnen als je die dag geen tijd hebt om er in te lezen. Het geruststellende idee dat je ooit, bijvoorbeeld die avond, wél gaat lezen: het helpt je door de dag heen. Af en toe pak je het boek op en lees je een paar woorden, of zinnen. Net genoeg om het verlangen gaande te houden.

Het moment waarop je begint te lezen, breekt aan. De geur van inkt en lijm stijgen op. Als het een echt gebonden of ingenaaid boek is, plooi je het eerste katern goed open. Niets staat een avond genotvol lezen in de weg.

Meestal loopt dit verhaal zo af: de eerste regels en pagina’s vallen tegen. Om niet te zeggen: zwaar tegen. Waarom? Misschien was het verlangen naar het boek te groot? Of komt het nog. Lees door! Nee, nog steeds is de stijl niet wat je je er van had voorgesteld…

Aan het eind van de avond leg je het boek op de grote stapel ‘nog te lezen’. In de praktijk is dat de stapel ‘binnen een maand weg te geven aan wie het maar wil hebben’.

En je gaat op zoek. Naar weer een boek dat het verlangen aanwakkert – én vervult. Maar dat is een zeldzaamheid en meestal overkomt je dat ineens, bij toverslag. Bijna per ongeluk.

Lezen (28)

Laatst las ik de biografie De man met de drietand die Jan van der Vegt schreef over Jan Elburg. Ik had me, voor ik begon te lezen, voorgenomen er een interessant stukje over te schrijven, zélfs als de onvolprezen Van der Vegt toch weer in zijn heel soms wat hinderlijke Polygoon-toontje zou vervallen.

Nu ik het boek een week of drie uit heb, is dat voornemen verdampt. Sterker nog: het lukt me niet om zelfs maar het begin van een idee of zelfs maar een eerste zin te formuleren. De biografie lijkt te zijn verneveld in mijn hoofd, en het beeld dat ik van Elburg heb, is te contourloos en te vaag. Of eerlijk gezegd: ik heb geen beeld van hem.

Is Elburg dan geen interessant dichter? Zeker. Hij heeft zelfs heel sterke verzen én bundels gemaakt. Maar op een paar klassiekers na, zijn ook de gedichten van Elburg, door dezelfde Van der Vegt gebloemleesd onder de titel Ik zie scherper door de taal, de afgelopen weken niet in staat gebleken de snaren van mijn gemoedsleven blijvend aan het trillen te krijgen.

Het zit er gewoon niet in, tussen Elburg en mij, en tussen de biografie en mij eveneens niet.

Soms heb je dat. Een schrijver kan nog zo getalenteerd zijn, of interessant, of de moeite van het lezen waard; mensen kunnen je honderd keer aan je kop zeuren over titel X van Die-en-Die: is er geen ‘klik’ tussen auteur en lezer, dan gaat het feest niet door.

Jan Wolkers, Hella Haasse, Rudy Kousbroek, H.C. ten Berge, Elisabeth Eybers, Ezra Pound, James Joyce, Mary McCarthy – en nu dus Jan Elburg. Je hoort veel goeds over die mensen, maar hun werk is mij over het algemeen helaas niet zeer lief.

Ik las de afgelopen jaren met groot plezier een of meer werken van Boudewijn van Houten, Theo Kars, Aleidis Dierick, Arthur Schopenhauer en Jacques Gans. Oh ja, en een hele reeks romans van Simenon en twee sterke thrillers van Patricia Highsmith.

Dus ik wil maar zeggen: ik ben niet helemaal van de straat, al heb ik wellicht wel een smaak die niet helemaal past in de literair-correcte wereld, – een wereld waar ik ondanks alles met een grote, gefnuikte liefde van houd.

(Het gekke is dat ik twee van zijn gedichten dan weer echt geweldig vind. Maar ja. De rest ben ik dus vergeten.)

Lezen (27)

Een criticus wordt verondersteld een boek als eerste te lezen, en vervolgens verslag te doen van die lectuur. Soms gaat dat goed, al te vaak niet. De ene keer kiest zo iemand het wilde struikgewas van de ideologie, een andere keer beperkt hij zich tot de levenloze stam die filologie is geworden. Een derde keer valt een boek in handen van iemand met een lichte of minder lichte vorm van leesblindheid.

Op de website 8weekly recenseert Lisa van Erp Krombeke retour/Deerlijk retour van Luuk Gruwez, een boek waarin oude en nieuwe verhalen van deze auteur onder één dak en in twee ondersteboven aan elkaar geplakte boeken bijeen zijn gebracht.

Ze schrijft: ‘Voor Gruwez is het optekenen van herinneringen een manier om zijn familie voort te laten leven. In zichzelf een vrij voor de hand liggend uitgangspunt, en zeker geen aha-erlebnis waard, maar door zijn melancholische en tegelijkertijd scherpe observaties werkt het toch. Als lezer kun je niet anders dan meegaan in de besognes van zijn familieleden.’

Op bladzijde 21 van Krombeke retour lees ik: ‘Zelf heb ik tot dusver geen kind verwekt. Het ziet er niet naar uit dat ik dit nog zal doen. (…) Jij, met wie ik (…) begonnen ben, misschien eindig jij samen met mij en ik met jou, althans, aan de verdord ogende tak van die nochtans eindeloos levende, maar grotendeels onzichtbare stamboom die tot in het oude Griekenland, tot in het oude Egypte, tot in Ethiopië en tot vele miljoenen jaren vroeger leidt: tot bij de eerste mens die net als de meeste onder ons van zichzelf dacht dat hij de eenzaamste aller mensen was en onder de Boom der Kennisnog heimwee naar de vissen voelde en naar het water waaruit alles is ontstaan, behalve het water zelf.’

De recensent ziet het verband tussen het optekenen van die familieverhalen en de kinderloosheid (niet alleen in letterlijke zin) van de auteur over het hoofd: ‘Zo blijft de grondgedachte van Krombeke retour/Deerlijk retour weinig opbeurend: “Er werd voor het eerst iets als een kleuterwijsheid over mij vaardig: dat huizen, net als mensen, vroeg of laat verlaten worden. En dat er niets kon geschapen, gemaakt of geboren worden wat niet bestemd was voor de sloop.” Maar door de poëzie van de volkstaal, de tragikomische personages en de liefde die van de pagina’s spat, wordt deze waarheid een beetje draaglijk.’

Zij heeft geen oog voor de tragiek, of beter: voor de hardnekkigheid waarmee Gruwez die ‘volkstaal’ (wat een neerbuigende omschrijving is voor zijn stralende Nederlands, doorspekt met volkstaal) inzet om het verval, het uitsterven, tevergeefs, te vlug af te zijn.

Als een schrijver sterft, sterft zijn hele stamboom uit. De schrijver is de eerste én de laatste persoon die een verhaal optekent. Het is aan de lezer om stamboom en verhaal, lezend, herhalend, in ere te houden. Het is aan de criticus om de taal enigszins juist te verstaan.

Is die criticus daar ‘in zichzelf’ niet toe in staat, dan zou het beter zijn als die criticus zweeg. Dan is zo iemand niet in staat om te lezen.