In de metro (38)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is erg druk in de metro op Stille Zaterdag. Er zijn veel dingen gekocht en die moeten naar huis. Een meisje praat tegen haar hond. Die ligt op de grond en kijkt alsof hij gedwongen wordt om naar dierenporno te kijken. Ik lees op mijn telefoon via de KOBO-app een boek van Benjamin Balint, Kafka’s laatste proces. De figuur Max Brod intrigeert me. Hij schreef bijna 100 boeken en wist van zichzelf toch dat hij niet geniaal was, minder geniaal in elk geval dan zijn grote vriend Kafka. Hoe het proces precies gaat verlopen weet ik nog niet, maar het verbaast me dat Duitsland en Israël vechten om de laatste snippers Kafka. Kafka was namelijk een Tsjech, en hoort daarom thuis in Tsjechië. Helaas verstaat niemand hem hier meer – een kafkaësk lot. Doorgaan met het lezen van “In de metro (38)”

Pep Guardiola en de Baader-Meinhof Groep

Voetbaltrainers worden tijdens de wedstrijd opgesloten in een kooi die uit witte lijnen op het gras bestaat. Daar mogen ze niet uitkomen. De kooi heeft geen deuren en geen ramen. Er is een cipier die in de gaten houdt of de coach niet ontsnapt, de ‘vierde man’. Altijd als ik Pep Guardiola zie ijsberen, van grens tot grens, soms net even eroverheen, lijd ik met hem mee. Wat moet het verschrikkelijk zijn om zo opgesloten te zitten, terwijl mensen daarbuiten een heel veld hebben om op te spelen. Hij mag naar ze schreeuwen maar hij mag niet te dichtbij komen. Doorgaan met het lezen van “Pep Guardiola en de Baader-Meinhof Groep”

Remco Campert schrijft een gedicht over de Notre-Dame

Remco Campert zit in zijn werkkamer. Waarom ook weer? Iemand stelt de vraag. Remco neemt een slok rode wijn. Oh ja. Hij wil een gedicht schrijven over de Notre-Dame, die in brand is gevlogen. Bijna helemaal vernietigd. Hij zag het op het nieuws, samen met zijn vrouw. Die heeft hem naar boven gestuurd, naar zijn eigen verdieping, om er iets over te schrijven voor de krant. Met die vervelende traplift omhoog. Schuifelend naar de werkkamer. Gedachten die almaar afdwalen en weg willen. Doorgaan met het lezen van “Remco Campert schrijft een gedicht over de Notre-Dame”

Het Leger des Heils en de schakelkast

Ik sta in de hal van mijn flatgebouw en zoek op het mededelingenbord naar het nummer van de technische dienst. Toen ik vanochtend wilde gaan douchen en de lamp in de badkamer aandeed, sloegen alle stoppen door en ik weet niet waar de schakelkast van mijn appartement zich bevindt. Ik vermoed naast de voordeur, maar de kast die daar hangt lijkt heel erg op slot. De deur ervan geeft niet mee. Vroeger had je gewoon stoppen, die je ergens in kon draaien, en geen dichte deuren. Dat was veel handiger. Vermoedelijk zie ik er een beetje verwilderd uit. Ik heb mijn haar nog niet gekamd en mijn kleren van gisteren aan. Doorgaan met het lezen van “Het Leger des Heils en de schakelkast”

Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar

Ik las privé-domein 294, Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. Anna Enquist legt in nog geen 200 pagina’s haar vriendschap met de dichter Kouwenaar vast. Het is, en ik zeg dit zonder voorbehoud of ironie, een sympathiek boek. Je leest dit soort teksten niet vaak, van dichters over dichters. Enquist was werkelijk bevriend met Kouwenaar, en had hem niet alleen nodig om haar poëtica aan te slijpen of om haar carrière mee op te leuken. De modderige tekst die Marc Reugebrink schreef op het shipwreck called Fukushima bewijst in elk geval dat Enquist iets omschrijft wat heel veel schrijvers in het contact tussen collega’s niet kunnen opbrengen: vriendschap en liefde. Doorgaan met het lezen van “Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar”

In de metro (37): Piet Schoenmakers

We staan stil op station Lužiny. Altijd als dat het geval is kijk ik naar de palmboom die wordt omgeven door een glazen boomvorm, waarin glas-in-lood-elementen zijn opgenomen. Het heeft iets futuristisch’, waarschijnlijk is het een kunstwerk. Daarnaast verwijst het naar het verleden, naar de kunst uit de jaren zestig en zeventig: optimistische werken, felle kleuren, elementaire vormen, beton en staal. Het beton en het staal: werkende, levende materialen waar na een paar jaar vlekken op komen, roestplekken. De kunst valt uit elkaar waar je bij staat. Het werk op station Lužiny twijfelt tussen verleden en heden en is daarom onderwerp van een diepe, onproductieve, elke keer opborrelende melancholie. Doorgaan met het lezen van “In de metro (37): Piet Schoenmakers”

Een paar valiezen op het vliegveld

Ik sta te wachten op de bagage. Het duurt lang. De vlucht naar Praag is al een half uur binnen. De mensen die met mij wachten, zitten op een bank en kijken voor zich uit. Er is iets landerigs in iedereen gevaren. In iedereen? Nee, één Vlaming is ongebroken. Hij zaagt aan één stuk door over die poar valiieeezze die nu toch pertang (of zoiets) al lang hadden kunnen worden op die-jen baaaand geset, nou ja, het houdt maar niet op. Omdat ik hem bijna panisch van afkeer aankijk, denkt hij dat we contact hebben en richt hij zich steeds tot mij. De andere mensen ontwijken hem. De man draagt oordopjes. Hij is bijna doof. Soms zeg ik iets als ‘Nog een jaar of tien en dan kun je zelf op een band gaan liggen.’ Wa zeegde gij? Ik zeg niks. ‘De Vlaamsche tale is wondersoet voor die heur geen geweld en doet’–alleen doet deze man heur geweld en aan. Doorgaan met het lezen van “Een paar valiezen op het vliegveld”